Reeks (1 - 25)

Nr. Opgave

Antwoord

1

5. Een vrouw in mijn positie is totaal uitgesloten

4. De naam die ik voor de wereld draag is niet mijn echte naam.

3. Ik draag een kroon al ben ik geen koning of keizer.

2. Heb ik voor de wereld een boodschap, dan noem ik dat “encycliek”.

1. En in 2013 ben ik verkozen, en voor het eerst een Zuid-Amerikaan in die functie.

A: Paus Franciscus I

2

5. Wie mij wil vinden, zoekt bij de metalen, toch hoor ik niet thuis in een chemie-handboek.

4. Hard ben ik, doch ook heel vloeiend.

3. De kip legt mijn voorste.

2. Mijn tweede en laatste deel is een nul zonder nul.

1. Ik ben geen 220 Volt of 16 Ampère, toch ben ik stroom.

A: De IJzer

3

5. Al mijn vrienden houden van licht; ik schuw het.

4. Ik ben als een tulp, die groeit op een wortel.

3. ’t Is raar, maar de bittere waarheid.

2. Alle lof voor sneeuwwit.

1. Een Brusselaar (Bréziers) heeft mij per toeval ontdekt. (19de eeuw)

A: Witloof

4

5. Hopelijk zit je niet in een depressie. Panikeer niet: de anticycloon der Azoren nadert.

4. Een korf achter de slee, dat is toch wel voornaam.

3. Heb je mij al? Je bent pienter, zeg!

2. Ok, daar was iets te veel aan.

1. Laat nu maar je blad zien;
    je krijgt een grote tien,
    als je schrijft …. 

A: Armand Pien

5

5. Ik ben wereldberoemd, vooral in Nederland en omstreken.

4. Ik zag het levenslicht in 1909.

3. Ik hou van het Friese ijs; het is noodzakelijk voor mijn bestaan.

2. Hoewel voorkomend in mijn naam, is het geen tocht voor elfjes.

1. Wat een marathon is voor de atletiek, ben ik voor de schaatssport.

A: Elfstedentocht

6

5. Mijn initialen zijn = vroeger voetbalsysteem.

4. Ik ben beroemd in Vlaanderen, in België en in Europa.

3. Ik ben ook bekend omdat achter mijn naam veelal een getal werd vernoemd.

2. Als je me nu denkt te kennen, weet dan dat het einde van de tunnel in zicht is.

1. En “met pensioen gaan” heb ik nooit gedaan.

A: Wilfried Martens

7

5. Ik ben van een stad aan de Maas, en studeerde in Brussel.

4. Mijn noten zijn een zegen voor hamer en aambeeld.

3. Ik ben Hollander, hoewel mijn naam Franstalig klinkt.

2. “Klinkt”; het juiste woord, want mijn orkest klinkt zowat overal in de wereld.

1. Zeg maar André, zegt hij tegen een Mèstrichteneer

A: André Rieu

8

5. Mijn naam, zoals men mij kent in de wereld, is niet mijn echte naam.

4. Mijn roots liggen nog achter de MUUR.

3. Merkwaardig als je nu al mijn naam weet.

2. Grundligkeit, da steh ich für.

1. Zeg maar Angela tegen mij.

A: Angela Merkel

9

5. Men probeert mij een verhouding aan te smeren, met een breuk als gevolg; maar dat is niet gelukt.

4. Dat is waar, zoals de cirkel rond is.

3. Mogelijk maakt die Griekse letter het nu wat gemakkelijker.

2. Constant worden de leerlingen er mee geplaagd in hun berekeningen.

1. Weet nu dat je zocht naar een getal.

A: Het getal ∏= 3,14...

10

5. Volgens mij regeert de muziek de wereld.

4. Ik ben van zoete afkomst.

3. Dagelijks laat ik ze vallen op TV, al heel lang.

2. Drummen kan ik ook.

1. Maar zonder jury kan ik mijn spel niet spelen.

A: Ben Crabbé

11

5. Ik ben van Joodse afkomst.

4. Bij de Duitsers ben ik een echte kei.

3. Wereldberoemd is mijn formule.

2. In 1926 ontving ik de Nobelprijs Fysica.

1. Ik stond mee aan de wieg van de 1ste atoombom.

A: Albert Einstein

12

5. Ik ben Brits, maar als je mijn naam hoort, zou ik wel een Vlaming kunnen zijn.

4. Ik was arts van beroep.

3. In W.O. I bestudeerde ik de wondbesmettingen.

2. Kweken van stafylokokken, zegt u dat iets?

1. En penicilline?

A: Alexander Fleming

13

5. Kleine kinderen, al zijn ze het zelf, eten ons niet graag.

4. We zijn wel een doorzichtige partij groenten.

3. Of zoals je wil, een partij glaswerk.

2. Wij zijn voor het eerst geteeld in de omgeving van Brussel (1821). 

1. Choux de Bruxelles, zegt u dat iets

A: Spruiten

14

5. Niemand ziet me graag komen; ik ben dus niet je vriend.

4. Zowel bij dag, als bij nacht ben ik op pad.

3. Wees gerust, ook bij u kom ik op bezoek, al is het slechts éénmaal.

2. Na mijn bezoek, maar dat weet u dan niet meer, is er veel ellende aangericht.

1. Mijn werktuig? De zeis!

A: Pietje de dood

15

5. Mensen hoeven niet aan de Noordpool te zijn om te doen wat we zijn.

4. Wikipedia denkt dat we meer dan 2 miljoen jaar oud zijn.

3. Zou het kunnen dat onze verre voorouders bruin waren?

2. Winterzwemmers apen ons na.

1. Onze bekendste vriend was Knut, weet je nog?(Berlijn 2006-2011).

A:IJsberen

16

5. Ik besta, niemand kan mij vastpakken. Ik ben onzichtbaar.

4. Ik ben al heel oud; ik ontstond op het einde van de 3de eeuw.

3. Behalve in België, ben ik ook te vinden in vroegere gebieden van het Romeinse Rijk, zoals in Zwitserland.

2. In België ben ik definitief vastgelegd na een felle strijd in 1961-1963.

1. Als je weet over welke strijd het gaat, dan ken je ook mijn naam!

A: Taalgrens

17

5. Ik ben heel lang, en ben oorspronkelijk wit en blauw.

4. In mijn reis doe ik Ethiopië, Oeganda, Kenia, …, aan.

3. In Oeganda zorg ik voor spanning, die ze zelfs kunnen uitvoeren.

2. In Egypte zorg ik voor vruchtbaar land.

1. In een ruime delta arriveer ik in de Middellandse zee. 

A: Nijl

18

5. Bij jullie ben ik meestal blauw; maar ik kan ook in zilver, in puper, zelfs in het groen voorkomen.

4. Hoewel ik hoog boven de grond uitkijk, ben ik beschermd.

3. Soms ben ik een plaag voor de mens.

2. Ik ben een geoefende visser, want mijn lievelingskost is vis.

1. Daarom dat veel vijverbezitters mij liever kwijt dan rijk zijn.

A: Reiger

19

5. Men beschouwt mij als het  BEGIN en EINDE.

4. Ik ben geen levend wezen.

3. Men vindt mij niet in de woestijn, al zou je dat denken als je mijn naam hoort.

2. Als je me nu nog niet kent, heb je nog nooit gerummicubt.

1. Nu wordt het tijd dat je me vindt want ik ben leeggelopen.

A: Zandloper

20

5. Ik ben geboren in Frankrijk, maar ik ben geen Fransman.

4. Ik ben geen filmheld of stripfiguur, hoewel ik in strips en politieke cartoons voorkom.

3. Verscheidene oneliners van mij zijn wel wereldberoemd in België; o.a. “ik antwoord niet op    hypothetische vragen”.

2. Brabants trekpaard of loodgieter, zegt u dat iets meer?

1. Oh ja, eerste minister was ik ook tweemaal.

A: Jean-Luc Dehaene

21

5. Mijn naam klinkt Italiaans, maar ik ben geboren in België.

4. Ik lig vast op een balk met noten.

3. Sinds kort zag ik Abraham.

2. Ook in de film over mij hoor je mijn naam gestaag.

1. Rocco is mijn vader.

A: Marina

22

5. Ik ben een volksheld al eeuwenlang.

4. Ik ben de belichaming van de grappige vagebond.

3. Men zag in mij ten onrechte de verdediger van de boerenstand tegenover de stedelingen.

2. Verscheidene plaatsen eisen het voorrecht op mij onder hun burgers te hebben gerekend: zo bv. Lüneburg in Duitsland en Damme in België.

1. In Limburg had men enige tijd geleden ook hun Tijl.

A: Uilenspiegel

23

5. Bij mij voelt zich iedereen op zijn gemak.

4. Ik draag ’n grote bril en kijk meestal naar het gat van de wereld.

3. Je kunt steeds uw afval bij mij kwijt.

2. Men zet mij steeds in een klein kamerke.

1. Na gebruik word ik het liefst doorgespoeld.

A: Toilet

24

5. Wij zijn van Griekse oorsprong.

4. Maar nu zijn we een wereldwijd gebeuren.

3. Ze zijn met 5, ineengestrengeld en gekleurd, om ons embleem voor te stellen.

2. Om de 4 jaar spelen de atleten rondom ons.

1. De vlam dooft niet bij ons.

A: Olympische Spelen

25

5. Ik ben geen levend wezen maar ik kan wel blazen als de beste.

4. In feite ben ik lucht.

3. Als ik warm word blijf ik niet ter plaatse.

2. Ik kan ook heel wat stof doen opwaaien.

1. Kom ik uit het Noorden, dan ben ik koud; kom ik uit het Zuiden, dan ben ik warm.

A: Wind

á