Rubriek F: De Grote Van Kale.

1

Prikklok: Klok die zelf niet tikt, maar op de vingers kan doen tikken.

2

Preuts: 19de eeuwse zedigheid.

3

Pillendraaier: Gediplomeerde neuskoteraar.

4

Porno: Duw - niet! Of = een ontkennende studente.

5

Piekuur: Tijd dat iedereen begint te werken.

6

Peuters: Sinds kort, bevoegde werkverschaffers.

7

Plan: Werkdocument dat nooit uitgevoerd wordt.

8

Paradijs: een door Adam en Eva ingevoerd irreŽel begrip.

9

Paraplu:  het meest vergeten voorwerp, bij uitstek in trein, bus, tram,... .

10

Parachute: het voorwerp dat altijd functioneert, behalve ... de laatste keer.

11

Pensioen: Uitkering, waarvoor je gans je leven hebt afgedragen en als je ervan kunt genieten dan ga je de pijp uit.

12

Parvenu: Een uitgestoten arbeider, een niet-aanvaarde rijke en dus een schoolvoorbeeld van een eenzame.

13

Prentkaart: Bewijs van een verre vakantie.

14

Pien: De door iedereen aanvaarde grootste leugenaar.

15

Priem: Schoenmakersgerief dat groeit op de elsenboom.

16

Prins : Echtgenoot van koningin, bijzonder geschikt om steekpenningen te aanvaarden.

17

Postbode:  Man die meestal de post bij de buren bestelt.

18

Proef: Scheikundig of natuurkundig experiment dat soms lukt.

19

Pollutie: Bezoedeld woord voor vervuiling.

20

Presteren: Verouderd begrip. Tegenwoordig synomien van profiteren.

21

Parlement:  Bestuursinstelling waar niet de ministers maar de lege stoelen het meest tot de verbeelding spreken.

22

Paternoster: Kruisweg geplaveid met bollekens.

23

Parasiet: Een gunstig synoniem voor "profiteur".

24

Partij: Politiek orgaan dat om de zoveel jaar de gemeenschap verdeelt.

25

Pavlov: Beroemde Russische hond die de geconditioneerde reflexen heeft uitgevonden.

26

Periscoop: Instrument waarbij men even om het hoekje kan kijken.

27

Pers: Een van de drie goddelijke personen.

28

Pinguins: Een van de vele zusterorden.

29

Plafond: Dat wat de regering dikwijls moet verhogen. 

30

Puur: Zestig minuten zonder afval.

31

Pil: Klein maar dapper, of de afkorting van Power In Love.

32

Papavers:  Dr. Pulders zaad.

33

Pythagoras: Weer een die het anderen liet doen en zelf de pluimen opstreek.

34

Punt:  Einde van een zin, maar voor veel leerlingen het begin van zware meetkundige moeilijkheden.

35

Put:  Datgene waar men de ander wil doen in vallen; of laat de andere dat maar graven!

36

Psychologie: Wetenschap die met ingewikkelde woorden wil verklaren wat elke normale mens al weet maar dan zodanig dat men achteraf niet meer weet wat men wist.

37

Peruvianen: Bergachtig volk.

38

Papier: Een steengoede dikzakkige inwoner van Ierland.

39

Radioactief: Aggregatietoestand van luisterdchtheid, bij verhoogde druk en verhitte temperatuur.

40

Ramp: erg ongeluk. Bv. Als een bus met ... (vul zelf maar in) in een rivier terechtkomt ishet een ongeluk; als ze het er levend van af brengen is het een ramp.

41

Receptie: Een carnavalsituatie omwille van de maskers.

42

Recht:  In BelgŽ, de wet van de sterkste.

43

Redelijk: Overleden verstand.

44

Refrein: Propere scheidsrechter.

45

Register:  Tegengestelde van dovandaag of mimorgen.

46

Rektor: Uitgerokken kever.

47

Rib: Eva's afgezaagd begin.

48

Ring: Rond bindmiddel.

49

Rits: Oorzaak van damesvloek.

50

Rozegeur: Datgene wat maneschijn voorafgaat

51 Ruit:  Onmisbaar voorwerp bij straatvoetbal.
52 Rups:  Soms een ongewild sla-ingrediŽnt.
53 Raadsel: Een omschrijving van de Europese Gemeenschap. (toelichting: in de jaren '80)
54 Radar: Gok wat ginder is.
55 Raket: In de Oudheid een opgedreven dinosaurus.
56 Rang: Onbelangrijk in de militaire hiŽrarchie.
57 Reclame: Drukkingsmiddel om je te doen geloven dat wit toch eigenlijk zwart is.
58 Rijm: Een bevroren gedichtje.
59 Rommel: Duitse warboel van in de oorlog.
60 Raap:  Veldvrucht die in een boom leeft.
61 Roest: Overblijfsel van het rusten.
62 s: Een letterboom; groeit in het alfabettenbos.
63 Slaap: Arbeidstoestand in de ministeries.
64 Slak: Traagwerkende verf.
65 Sleutelbloem: Een plant, gekweekt om voor probelemen DE sleutel te vinden.
66 Smeergeld: Modern begrip. Wordt besteed om vliegtuigjes en ander speelgoed te mogen verkopen.
67 Smeergeld: Aalmoesje voor hoogstaande functionarissen
68 Sprookjes: Vertellingen van mond tot mond, vooral in trek voor de verkiezingen.
69 Staat: Structuur die verschillende volken al bekvechtend bij elkaar houdt.
70 Steenbok: Synoniem voor keigeit.
71 Stephenson: Bouwde de eerste lome stokomotief.
72 Stier: Een interessant dier als je het aan de koe vraagt
73 Stank: Onwelriekend oorlogstuig.
74 Steen: De helft van vuur.
75 Stem: Dat wat het dier vernedert tot mens.
76 Stem: Het zoveelste deel van een Kamer-of Senaatszetel.
77 Stiel: 1/13 ongeluk
78 Stuur: Roer zestig minuten.
79 Skelet: Afgedankt lijk.
80 Steek: Dat wat onder water gegeven wordt.
81 Stempelen: Verheven en beschermde arbeidsvorm.
82 Smelten: Vloeibaar worden. Voorbeeld: wanneer over sneeuw een auto rijdt, begint hij te smelten.
83. Sparen: Vorm van geldophoping, gemakkelijk voedsel voor de infalatiemuizen.
84. Stalactietje: Tweelingbroertje van het stalagmietje. Geboren uit de liefelijke verbinding van kalkhoudend water waarbij achteraf, o foei, de andere partner, het koolzuur ontsnapt.
85. Slurf: Dierentuinsnoepjesopslorper.